Gdansk

Reiswijzer

Reizen op maat

Gdansk

 

 

Oudheid

 

Volgens archeologische opgravingen was de monding van de Weichsel (Pools: Wisła) een overslag- en handelscentrum tussen Scandinavië en oostelijk en Midden-Europa. De oude stad Truso lag oostelijk van het huidige Gdańsk. De Weichselmonding lag op de grens van Baltische volkeren. Baltische volken woonden al sinds 2000 v.C. ten oosten van de Weichsel, volgens Jordanes in zijn tijd onder de naam Estiërs of Aisten, niet te verwarren met de huidige Esten. Germaanse volken woonden sinds 300 v.C. westelijk ervan (het laatst onder de namen Rugiërs en Boergonden). Noord-Germaanse stammen uit Scandinavië, met name de Goten, trokken bij de Weichselmonding rond 200 n. C. het huidige Polen binnen om na enige tijd hun zwerftochten te beginnen door zuidelijk Europa. Door Jordanes werd het gebied rond het latere Danzig Gothiscandza genoemd (Gotenschans). In de 6de eeuw n.C. werden de Germaanse volken afgewisseld door Slavische stammen (die zich hier de Pomoranen (Duits: Pommern, Nederlands: Pommeren = kustbewoners gingen noemen). Toen na 1200 zich Duitstaligen in dit gebied vestigden en de staat Pruisen stichtten, noemden zij de autochtone Baltische bevolking Pruzzen of later ook wel, ter onderscheiding van zichzelf, Altpreussen.

 

Middeleeuwen

 

Het gebied van de Gotenschans was geen afgebakend stedelijk gebied. Als officiële "geboortedatum" van de stad wordt derhalve het jaar 997 gehanteerd, wanneer de stad als Gydannyzc voor het eerst in de historische kronieken vermeld wordt bij een bezoek van Boheemse bisschop, de heilige Adalbert (Pools: Wojciech), tijdens zijn kruistocht tegen de heidense Oude Pruisen (Baltische Pruzzen). In deze tijd is het slechts een vissersdorp.

 

In het begin van de 13de eeuw was Gydannyzc, ook wel Kdancz genoemd, een vissersdorp en een handelsoverslagplaats van enige betekenis. De hertog van Pommerellen had hier dan ook een burcht gebouwd. De toenemende ‘internationale’ betekenis mag blijken uit de vestiging van een ‘Duitse’ handelskolonie, dat wil zeggen een stadswijk voor handelslieden uit het noorden van Duitsland en de Nederlanden, met een eigen kerk, de St. Katharina, en eigen bestuur en rechtspraak. De welvaart die deze kolonisten met zich meebrachten leidde ertoe dat zij in 1224 van de hertog een eigen rechtspleging kregen, zogeheten Duits recht, meer in het bijzonder Lübecker stadsrecht. Inmiddels probeerden de Poolse koningen de rechtsopvolgers (leenheren) van de hertogen te worden om zo de stad onder hun gezag te krijgen en de oostelijk wonende Baltische stam van de Prussen (waarvan afgeleid Pruisen, Duits: Preußen) onder controle te krijgen. Dat lukte niet, want de hertogen speelden de Duitse keizer en de Poolse koning tegen elkaar uit en Prussen waren niet te verslaan. Daarom riepen de Poolse koningen de ridders van de Duitse Orde te hulp. Nadat deze de Prussen had verslagen en gekerstend wilden zij het gebied van het latere Oost-Pruisen niet meer verlaten. De Poolse koning legde zich daar noodgedwongen bij neer omdat hij niet in staat was zijn land te beschermen tegen de sinds 1240 onder Dzjengis Khan ingezette Mongoleninvallen uit het oosten. Het systeem van weerburchten dat de Duitse Orde oprichtte voldeed namelijk om de Mongolen weg te houden van de Oostzeehavens, een van hun oorlogsdoelen. Danzick groeide uit tot een van de belangrijkste steden in de regio met een rijke Neder-Duitstalige bevolking en handelslieden uit Scandinavië, Nowgorod en de Nederlanden. De Duitse Orde had vanuit haar Monastieke Staat in het onderworpen Pruisen zijn zinnen op deze plaats gezet.

 

De Hanze

 

In 1308 lukte het de Duitse Orde de stad te veroveren, van stenen weermuren te voorzien en er enige tijd later een burcht te bouwen op de plaats van de hertogelijke burcht. Om zijn onafhankelijkheid te kunnen verzekeren trad de stad toe tot het hanzeverbond van overwegend Noord-Duitse steden en nam het de Lübecker vorm van het zogenaamde Duitse stadsrecht over. Met enkele andere steden in het gebied van de Duitse Orde kwam Danzig gaandeweg steeds meer tegenover de centralistische en bureaucratische adelsmacht van de Orderidders te staan. Met andere steden en dissidente edelen vormden zij de Pruisische Bond (Preussischer Bund), die bij de Poolse koning steun zocht tegen de Orde. Pas toen de Orde in 1466 een grote en definitieve nederlaag leed tegen het Poolse leger, waarin ook deze Pruisische Bond deelnam, kwam de stad onder de Poolse kroon met uitdrukkelijk behoud van al zijn vrijheden. Hetzelfde gebeurde met andere Pruisische steden zoals Elbing (Pools: Elbląg) en Thorn (Pools: Toruń). Overigens moest de hele provincie West-Pruisen, de genoemde steden inbegrepen, door de Duitse Orde aan de Poolse kroon worden afgestaan, onder toezegging van een autonome status (het zogenaamde Grote Privilege). Hoewel die autonomie later weer onder druk kwam te staan en in West-Pruisen, de kleinere steden inbegrepen, praktisch opgeheven zou gaan worden, wist Danzig zich als 'vrije stadsrepubliek' toch te handhaven op grond van zijn economische macht, waarvan de Poolse koningen voor hun inkomsten mede afhankelijk waren.

 

Hoewel Danzig een sterk kosmopolitisch karakter bezat - er bestonden Scandinavische, Engelse en Schotse koopliedengemeenschappen - bleef zij tot de Duitstalige cultuurwereld behoren. De interne bestuurs-, gerechts-, kerk- en onderwijstaal was dan ook vanaf het begin van de stadsstichting voornamelijk Hoogduits, met daarnaast ook het gebruik van Nederduitse varianten. Alleen met het Poolse hof werd ook wel in het Pools gecorrespondeerd en dat hof schreef daarop vaak in het Hoogduits terug als een vorm van middeleeuwse taaletiquette. Inmiddels was het inwonertal van het begin van de stadsvestiging in de 16de eeuw verzesvoudigd tot 30.000 en daarmee hoorde Danzig tot de middelgrote steden in Europa. Economisch had de stad een sleutelpositie in de handel tussen Oekraïne en Polen enerzijds en Scandinavië en West-Europa anderzijds. Die handel was modern georganiseerd en omvatte een eigen kredietverschaffend bankwezen en zelfs verzekeringsmaatschappijen die het risico van transporten dekten.

 

Vanaf de 2de helft van de 14de eeuw bestonden er intensieve handelsbetrekkingen tussen Danzig en de Nederlanden en naast de constante instroom van immigranten uit de Noord-Duitse steden was een aanzienlijk deel van de nieuw ingeschreven burgers dan ook uit het gebied van het huidige Nederland en Vlaanderen afkomstig. Zij kregen een dusdanige machtspositie dat de stadsraad in 1457 verdere immigratie verbood, maar dat nam niet weg dat Nederlandse en Vlaamse handelsschepen de meerderheid bleven vormen onder de schepen die de Danziger haven in- en uitvoeren en een eeuw later begonnen zich opnieuw Nederlanders in groten getale in de stad te vestigen.

 

In de 16de eeuw zouden zich Friese, Hollandse en Vlaamse en daarnaast ook Engelse en Schotse handelarengemeenschappen in de stad vestigen. Het stadsbestuur zelf demonstreerde zijn onafhankelijkheid door tot de Lutherse protestantse kerkhervorming over te gaan in 1522, waartegen de rooms-katholieke Poolse koningen niets konden ondernemen. De Contrareformatie die zij na een halve eeuw godsdienstvrijheid in geheel Polen doorvoerden, kreeg slechts beperkte toegang tot de stad en alleen drie kerken van kloosterorden bleven in handen van het oude geloof, waarvoor een kwart van de stadsbevolking (merendeels Kasjoeben en een klein deel van de Duitse stadsbevolking) de voorkeur had. Na toenemende aandrang van het Poolse hof om de hoofdkerk (de Marienkirche) ook voor de rooms-katholieke eredienst ter beschikking te stellen, stond het stadsbestuur alleen toe om een koninklijke kapel tegen die kerk aan te bouwen. Bovengenoemde buitenlanders en ook Polen kregen wel vestigingsrechten maar geen volledig burgerrecht. Zij konden eigen, bijvoorbeeld calvinistische, geloofsgemeenschappen oprichten. Friese en Noord-Hollandse mennonieten (doopsgezinden) werden aangetrokken om de moerassige Weichseldelta in te polderen. Zij stichtten daar bloeiende dorpen, van waaruit elke volgende generatie tot ver in Polen langs de Weichsel weer nieuwe kolonies inrichtte. Het grootste deel van de mennonieten zou na twee eeuwen weer vertrekken, toen tsarina Catharine de Grote van Rusland hen op aantrekkelijke voorwaarden nieuw land aanbood in het zuiden van Oekraïne.

Bloeitijd

 

Het lutheranisme manifesteerde zich al in 1522 door volkspredikers en kreeg een sterke positie in de stad als spreekbuis van de volksmassa tegenover het patriciaat. De stedelijke raad koos uiteindelijk ook voor de nieuwe godsdienst om zich tegenover de koning beter te kunnen positioneren, immers hij was katholiek en oefende via kerk en bisschoppelijke hiërarchie een invloed uit die zij met een eigen kerkorganisatie nu konden neutraliseren. In 1557 moest de Poolse koning de nieuwe religie als gelijkberechtigd erkennen. Toch zou het Poolse hof herhaaldelijk proberen zijn macht via de katholieke minderheid - een vijfde van de bevolking was die religie trouw gebleven - tot gelding te brengen. Dat werkte averechts en in 1577 werden de katholiek gebleven kerken en kloosters geplunderd. Daarna zou het streven van de Poolse koningen vooral met geld afgekocht worden en het enige prestigieuze symbool van de koningsmacht zou tenslotte gestalte krijgen in een koninklijke kapel die tegen de lutherse hoofdkerk van de stad werd aangebouwd. Ook het aanbrengen van het Poolse wapen aan de gevels van de stadskantoren was zo'n symbool: formeel bleef de Poolse koning immers soeverein over de stad. Uit deze periode stamt de Nederlandse/Vlaamse invloed op de architectuur van de stad en dan met name de burgerhuizen en stadsgebouwen. Om slechts een paar te noemen: Anthony van Obbergen en Abram en Willem van den Blocke en (Duits: vom Blocke) en zonen, allen uit Mechelen, bouwden objecten van grote schaal zoals stadspoorten, vestingwerken en sluizen; Johan Vredeman de Vries uit Leeuwarden werd stadsarchitect. Het is daarom niet verwonderlijk dat historisch Danzig aan Amsterdam en Antwerpen doet denken.

 

Het calvinistische element in de stad werd in deze tijd opnieuw zo sterk dat de Lutherse burgerij met hulp van de Poolse koning in 1605 aan calvinisten de toegang tot officiële functies ontzegde. Deze hervormden zouden daarna opgedeeld raken tussen in een Duitstalige en Nederlandstalige gemeente (de laatste bleef tot 1810 bestaan). In de 16e en 17e eeuw kende Danzig zijn gouden eeuw. Bijna de gehele Poolse graanexport ging door haar haven, waardoor zij als grootste en rijkste havenstad aan de Oostzee gold, met de eretitel van Koningin van de Oostzee. Met 60.000 tot 80.000 inwoners was Danzig de grootste stad, niet alleen van het Koninkrijk Polen, maar van het gehele Oostzeegebied.

 

Het katholieke bevolkingselement vond onder het Poolse koningsgezag bescherming, zodat het toenam van een vijfde tot een derde, maar het werd daarom ook gevaarlijk geacht en de stad probeerde dat in te dammen door de vestiging van Polen als burger te bemoeilijken. Dat kon niet door godsdienst als criterium te stellen, maar wel door te eisen dat nieuwe burgers ‘von Deutscher Zunge’ waren, waarmee de kans dat zij Polen en dus koningsgetrouw waren verminderd werd.

 

In de 18de eeuw veroorzaakte de economische terugval een verloop onder de stadsbevolking; zij zakte onder het niveau van 1500 dat toen op 50.000 inwoners lag.

 

In de 18e eeuw begon Danzig aan macht in te boeten, hetgeen deels te wijten was aan de opkomst van de nieuwe grote Oostzeehaven Sint-Petersburg, welke de handel naar en uit Rusland naar zich toetrok en dit Russische tsarenrijk zou door annexatie ook het grootste (oostelijke) deel van het Pools-Litouwse Gemenebest gaan omvatten.

 

Van Koninkrijk Pruisen naar Duits keizerrijk

 

Danzig behoorde sinds de Tweede Poolse Deling (1793) tot Pruisen. In 1807 werd de stad in opdracht van Napoleon veroverd door maarschalk François Joseph Lefebvre, die hierop de titel hertog van Danzig ontving. Danzig en een gebied van twee Duitse mijl in de omtrek werd in de Vrede van Tilsit (1807) tot vrije stad onder bescherming van Saksen en Pruisen verklaard.

 

De macht in Danzig lag de facto echter bij de Franse gouverneur Jean Rapp die er Franse soldaten liet inkwartieren en de stad buitensporige sommen geld deed opbrengen. Het Continentaal stelsel verstoorde de handel met Engeland. Na Napoleons mislukte Russische veldtocht belegerden Russische troepen de stad voor een periode van 11 maanden in 1813. Uiteindelijk gaven de Fransen zich op 17 november over. Het Franse garnizoen werd in opdracht van tsaar Alexander I naar Rusland afgevoerd.

 

Het Congres van Wenen kende Danzig al in 1814 toe aan Pruisen, dat het weer bij de provincie West-Pruisen indeelde en de oude grondwet herstelde.

 

Eerste Wereldoorlog en Interbellum

 

Na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog moest dit land conform het Verdrag van Versailles onder meer vrijwel geheel West-Pruisen afstaan. Het grootste gedeelte kwam toe aan Polen, maar Danzig werd met het in werking treden van het verdrag op 11 augustus 1920 een vrije stad onder toezicht van de Volkenbond. Frankrijk wenste de overdracht van de stad aan het nieuw opgerichte Polen, maar werd hierin niet gesteund door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Vrijwel de gehele, voor 95% Duitstalige stadsbevolking protesteerde tegen de afscheiding uit het Duitse staatsverband. De vrije stad grensde in het oosten aan de Duitse provincie (Pruisische) Oost-Pruisen, maar was evenals die provincie door de Poolse Corridor van de rest van Duitsland afgesneden. Polen kreeg het recht van vrije doorvoer in en uit de haven van Danzig. Ook de spoorwegen stonden onder Pools bestuur. Een Pools politiekorps garandeerde deze Poolse rechten en voor hun bewapening was op de havenkade genaamd de Westerplatte een munitiedepot ingericht.

 

Een staatshoofd had de Vrije Stad Danzig formeel niet. De hoogste autoriteit was de senaatsvoorzitter. De Senat bestond, naast de voorzitter, uit een plaatsvervangend voorzitter en 20 senatoren. De senaatsvoorzitter was aan de Volkstag (het parlement) verantwoording schuldig. Daarnaast vaardigde de Volkenbond een hoge commissaris (Hochkommissar) af, die in eerste instantie over conflicten met Polen besloot. De stadstaat had sinds 1922 een grondwet die was georiënteerd op die van de Weimarrepubliek. In de internationale politiek werd Danzig door Polen vertegenwoordigd, met welk land het sinds 1922 ook een douane-unie had.

 

Danzig was in de jaren '20 het centrum van joodse emigratie naar overzee: via deze stad emigreerden tussen 1920 en 1925 reeds 60.000 joden. Daarnaast was het al vroeg een bolwerk van nationaalsocialisme en West-Pruisisch rattachisme. De NSDAP Danzig werd reeds in 1930 de op een na grootste partij en had sinds 1933 in de Volkstag een absolute meerderheid (54%), zij het niet de vereiste 2/3 om de grondwet te kunnen veranderen. Niettemin werd de oppositiepartijen het politieke leven door de nazi's onmogelijk gemaakt en in 1936 hadden zij het gehele bestuur in handen. Echter, door de vrees voor de internationale publieke opinie duurde het nog drie jaar totdat de antisemitische Neurenberger Rassenwetten van september 1935 ook in de Vrije Stad Danzig ingevoerd zouden worden, met enige afzwakkingen.

 

In Danzig werd de roep om aansluiting bij Hitler-Duitsland steeds luider. Op 23 augustus 1939 werd Albert Forster, de gouwleider (Gauleiter), tot staatshoofd uitgeroepen. De hereniging met Duitsland werd vervolgens een week later ingezet met militaire provocaties: de beschieting van het Poolse munitiedepot op de Westerplatte door de Kriegsmarine en een bombardement op Poolse kantoren in de stad door de Luftwaffe. De gewapende weerstand van de Polen werd gebroken en de Poolse functionarissen werden geïnterneerd. De stad werd vervolgens bij het Derde Rijk ingelijfd en daarop viel de Wehrmacht in 1939 Polen binnen, waarmee de Tweede Wereldoorlog een feit was omdat Groot-Brittannië en Frankrijk hun verdragsverplichtingen jegens Polen nu moesten nakomen. Danzig werd nu bij het Derde Rijk ingelijfd en na de verovering van Polen en de herannexatie door Duitsland van de in 1919 afgestane provincies werd de stad opnieuw de hoofdstad van West-Pruisen, de oude provincie welke nu onder de naam Reichsgau Westpreussen, onder het gezag van Albert Forster kwam te staan. Van de Danziger Joden was inmiddels nog geen tiende in de stad achtergebleven. Deze 600 werden naar concentratiekampen of getto's (Riga, Minsk) afgevoerd, zoals het beruchte concentratiekamp Stutthof dat enkele kilometers buiten de stad werd ingericht.

 

Tweede Wereldoorlog

 

Op 1 september 1939 werden de Poolse munitiedepots op de kade, genaamd de Westerplatte, door de Duitse marine vanuit zee beschoten als een provocatie die dan ook inderdaad met Pools tegenvuur werd beantwoord en de Wehrmacht een aanleiding gaf tot het binnentrekken van de stad. Dat leidde tot de oorlogsverklaringen tussen Polen en Duitsland en het begin van de Tweede Wereldoorlog. Inmiddels was Danzig al sterk genazificeerd want hoewel de facto een soevereine staat, bleef de stad steeds politiek en ambtelijk vervlochten met het Duitse Rijk en sinds 1933 koos de bevolking met een uiterst kleine meerderheid de nationaalsocialistische partij in het stadsbestuur. Sindsdien bepaalde deze partij toenemend het maatschappelijke klimaat. De oppositiepartijen werd functioneren onmogelijk gemaakt, sociaaldemocraten en communisten geïsoleerd en geïntimideerd. De nazificering van recht en bestuur en de ontrechting van joden werd ten opzichte van de ontwikkelingen in het Derde Rijk met een vertraging van enkele jaren doorgevoerd.

 

Begin 1945 vonden vanuit Danzig grote reddingsacties plaats voor de Duitse bevolking van onder meer Oost-Pruisen en West-Pruisen, welke op dat moment frontgebied waren geworden en onder grote verwoestingen door het Rode Leger veroverd werden. Vele Duitse burgers, met name kinderen, vrouwen en bejaarden, werden per schip overgebracht naar veilige steden als Kiel, Lübeck en Kopenhagen. De grootste scheepsramp uit de moderne geschiedenis vond plaats toen een van die schepen, de Wilhelm Gustloff met 9.000 opvarenden, door een Sovjet-onderzeeër werd getorpedeerd. Ook de Steuben en de Goya met 15.000 opvarenden onderging dat lot. Ongeveer een miljoen Duitsers uit West- en Oost-Pruisen ontkwam wel levend over de Oostzee en enkele miljoenen anderen slaagden erin lopend of met paard en wagen over de weg naar het westen te ontkomen.

 

Naoorlogse periode

 

Na de Tweede Wereldoorlog, waarin de stad voor 80% verwoest werd, is de stad volgens de Conferentie van Potsdam toegewezen aan Polen. Sindsdien draagt zij uitsluitend haar Poolse naam Gdańsk. Voor zover achtergebleven werd de Duitstalige bevolking van 1945-1947 op vaak gewelddadige wijze geïnterneerd en naar het westen gedeporteerd. In totaal is een kwart van de oorspronkelijke Danzigers tussen december 1944 en begin 1948 om het leven gekomen. Enkele duizenden (Polen) bleven achter en de herbevolking van de stad vond nu plaats door uit het gebied van Vilnius (Pools: Wilno) verdreven Polen.

 

Ondanks de rampzalige toestand van Polen werd al meteen na de oorlog begonnen aan de herstellings- en restauratiewerken van de historische stadskern, die in feite neerkwamen op een volledige reconstructie. Daarbij werden de rooilijnen vaak verder naar achter gelegd om bredere straten mogelijk te maken. De oude gevels werden in kopie herbouwd, terwijl de interieurs een moderne vormgeving kregen. Huisnamen en andere gevelopschriften evenals openbare monumenten werden niet hersteld omdat zij - als regel - Duitstalige opschriften droegen. Enkele uitzonderingen in het Latijn en het Nederduits zijn wel bewaard gebleven. Gdańsk werd opnieuw een belangrijke havenplaats; de scheepsbouw beleefde er onder het communistische regime jaren van bloei. Poolse nieuwkomers uit centraal-Polen en vooral vluchtelingen uit de voormalige oostelijke, door de Sovjet-Unie geannexeerde, gebieden van de vooroorlogse Poolse republiek namen in Gdańsk hun intrek.

 

In de jaren 80 verwierf de stad faam, toen onder leiding van Lech Wałęsa op de plaatselijke Leninwerf de plaatselijke afdeling van de vakbond Solidarność (Solidariteit) werd opgericht. Deze beweging was al eerder op andere plaatsen in Polen actief. Deze beweging wordt gezien als een van de belangrijkste elementen in de val van het communisme in Oost-Europa.

 

Dankzij de inspanningen van de restaurateurs wordt het Gdańsk van vandaag samen met het eveneens in kopie gerestaureerde Warschau en het nog vrijwel geheel authentieke Krakau tot de mooiste steden van Polen gerekend.

 

Toerisme

 

Vooral rondom Ulica Długa en Długi Targ (voor 1945: Langgasse en Langer Markt) bevinden zich veel gereconstrueerde gebouwen uit de Hanzetijd zoals het Artushof, de Gouden (Stockturm) en de Groene Poort (Grünes Tor). Tussen Sopot en Gdańsk Nowy Port (voor 1945: Zoppot en Fuhrwasser) is een zandstrand van ongeveer 6 kilometer lengte. Er zijn veel wandel- en fietspaden in dit gebied. Verder heeft Gdańsk, zoals veel Poolse steden, een uitgebreid uitgaansleven met veel disco's. Vanuit Gdańsk is de badplaats Sopot dag en nacht makkelijk per trein bereikbaar. Daar bevinden zich veel cafés, terrasjes en ander vermaak.

 

Langstraat (Gdańsk)

 

De Langstraat (Duits: Langgasse of Lange Gasse; Pools: ulica Długa) is een straat in het centrum van het stadsdeel Rechtsstad in de Poolse stad Gdańsk. De straat begint aan de westkant bij de Gouden Poort en verbreedt zich aan de oostkant tot de Lange Markt (Pools: Długi Targ). De Langstraat en de Lange Markt worden samen wel Koningstraat (Duits: Königstraße, Pools: Droga Królewska) genoemd. De Koningstraat ligt in een voetgangersgebied.

 

Geschiedenis

 

In de 13e eeuw was de Langstraat een weg die diende als handelsroute en uitkwam op een ovaalvormig marktplein. In deze tijd was de straat min of meer de hoofdstraat van Gdańsk. Toen de stad was overgenomen door de Duitse Orde en was herdoopt in Danzig, bleef dat zo. Vanaf 1331 wordt de straat in officiële documenten betiteld als Longa Platea. Overigens golden de Langstraat en de Lange Markt samen als één straat. De Longa Platea liep van de Gouden Poort naar de Groene Poort.

 

Van oudsher vormden de Langstraat en de Lange Markt het gebied waar de rijkere burgers woonden. De bewoners waren patriciërs, rijke kooplui en hoogwaardigheidsbekleders. De naam Koningstraat gaat terug op parades uit de jaren 1457-1552, vooral de intocht van koning Casimir IV van Polen in 1457. De stad was in die tijd, hoewel Duits, schatplichtig aan de Poolse koning.

 

Het uiterlijk van de straat veranderde in de loop der eeuwen nogal eens. In de 19e eeuw verdwenen de bordessen voor de huizen, het laatste in 1872. De Langstraat en de Lange Markt kregen in 1882 een plaveisel van uit Scandinavië geïmporteerde kasseien. Later kreeg de straat ook een tram. In de 20e eeuw werden veel woonhuizen omgebouwd tot bedrijfspanden.

 

De straat kwam volledig vernield uit de Tweede Wereldoorlog. Danzig werd nu onder de naam Gdańsk een Poolse stad. De Langstraat werd in de jaren vijftig opnieuw opgebouwd. De kasseien en de tramrails werden verwijderd; de tram keerde niet terug in de straat. Onder de kasseien bleken granieten tegels te liggen.

 

Bekende gebouwen in de Langstraat

 

Alle bouwwerken langs de Langstraat moesten na de oorlog opnieuw worden opgebouwd. Daarvan zijn de bekendste:

 

het Czirenberg-Haus (Pools: Kamienica Czirenbergów)

het Ferberhaus (Pools: Dom Ferberów)

het Löwenschloss (Pools: Lwi Zamek)

het Schumannhaus (Pools: Dom Schumannów)

het Uphagenhaus (Pools: Dom Uphagena)

 

Het Artushof

 

Het Artushof (Pools: Dwór Artusa) is een gebouw in de Poolse stad Gdańsk (Danzig) op de Lange Markt.

 

De naam is afgeleid van de middeleeuwse legende van Koning Arthur. Eerst in Engeland en later ook in de rest van Europa werd zijn naam gebruikt voor huizen waren ridders en aristocraten elkaar ontmoetten.

 

Nadat Danzig stadsrechten kreeg in 1342 werd het Artushof gebouwd. Het gebouw diende als ontmoetingsplaats voor rijke kooplieden en adellijken. In 1380 werd een stenen gebouw neergezet dat in 1476 afbrandde. In 1478 werd een nieuw en groter Artushof gebouwd in laat-gotische stijl. Enkel de noordelijke façade bleef hiervan behouden. De prachtige voorkant die op de Lange Markt uitkomt werd in renaissancestijl gebouwd in 1552 en opnieuw in 1616-1617 door architect Abraham van den Blocke. Vanaf 1742 deed het gebouw dienst als beursgebouw voor de Danziger beurs.

 

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd het gebouwd grotendeels verwoest tijdens het Pommerenoffensief. Na de oorlog werd het gebouw in zijn vroegere glorie hersteld.

 

De Gouden Poort

 

De Gouden Poort (Pools: Złota Brama; Duits: Goldenes Tor of Langgassertor) is een stadspoort in de Poolse stad Gdańsk. De poort geeft toegang tot de Langstraat.

 

De poort werd tussen 1612 en 1614 gebouwd naar een ontwerp van Abraham van den Blocke. Boven op de poort werden later figuren geplaatst die de zeven deugden representeren.

 

Nadat de poort tijdens de Tweede Wereldoorlog net als een groot deel van de stad verwoest was bouwde men hem in 1957 opnieuw op. De Duitstalige inscripties op het gebouw werden bij de herbouw weggelaten omdat er in de jaren na de oorlog veel aversie tegen het Duits was. Ze zijn eind twintigste eeuw weer aangebracht op de toeristische bezienswaardigheid.

 

De Groene Poort

 

De Groene Poort (Pools: Brama Zielona; Duits: Grünes Tor) is een stadspoort in de Poolse stad Gdańsk. De Groene Poort is gelegen tussen de Lange Markt en de rivier Motława.

 

De poort werd tussen 1564 en 1568 gebouwd volgens het Vlaamse maniërisme en was de opvolger van de koggepoort uit de veertiende eeuw. De poort werd ontworpen door Hans Kramer, afkomstig uit Dresden en is geïnspireerd op het stadhuis van Antwerpen. De poort heeft vier doorgangen en erboven is ook een gebouw gebouwd, wat de indruk geeft dat het een kasteel is. Oorspronkelijk zou het de stadsresidentie worden voor de Poolse koningen, maar enkel Maria Ludovica Gonzaga heeft het gebouw bewoond, voor haar verloving met Wladislaus Wasa. Nadat het gebouw tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield werd werd het later weer heropgebouwd en in zijn glorie hersteld. In 2002 stortte een deel van het gebouw in, maar dit werd inmiddels weer hersteld.

 

Günter Grass

 

Günter Grass (Danzig-Langfuhr, 16 oktober 1927) is een Duitse schrijver en beeldend kunstenaar van Duits-Kasjoebische afkomst. In 1999 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.

 

Leven

 

Grass werd geboren in Danzig-Langfuhr (tegenwoordig stadsdeel Wrzeszcz in Gdańsk, tegenwoordig in Polen) en groeide op in een koopmansgezin. Zijn moeder was een etnisch Kasjoebische katholiek, zijn vader was luthers en Duits. Volgens eerdere berichten werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog opgeroepen voor de hulptroepen van de Duitse luchtmacht. Dit bleek echter onjuist, in augustus 2006 maakte hij zelf bekend dat hij zich op 15-jarige leeftijd vrijwillig aanmeldde voor dienst op een U-boot. Daarvoor werd echter niemand meer aangenomen, waarna hij in dienst moest bij de Reichsarbeitsdienst. Op 17-jarige leeftijd (1944) werd hij als dienstplichtige opgeroepen door de Waffen-SS, waar hij dienst deed bij de 10e SS-Pantserdivisie "Frundsberg". Grass werd op 8 mei 1945 in (het toenmalig Sudeten-Duitse, thans Tsjechische) Mariënbad/Bohemen gevangen genomen en verbleef tot 24 april 1946 in een Amerikaans krijgsgevangenenkamp.

 

In de periode 1947/1948 voltooide hij in Düsseldorf een opleiding tot steenhouwer. Daarna studeerde hij van 1948 tot 1952 aan de Kunstacademie Düsseldorf tekenen en beeldhouwen. Deze opleiding zette hij van 1953 tot 1956 voort aan de Hogeschool voor Beeldende Kunsten in Berlijn bij de beeldhouwer Karl Hartung.

 

In de jaren 1956/1957 exposeerde Grass in Stuttgart en in Berlin-Tempelhof. Daarnaast begon hij te schrijven. Tot 1958 schreef hij vooral kort proza, gedichten en theaterstukken. Deze laatste kunnen worden gerekend tot het poëtisch of absurd theater.

 

In een zeer beeldende stijl is ook de roman De blikken trommel (1959) geschreven, waarin hij voor de eerste keer historische gebeurtenissen met zijn surrealistisch-groteske beeldspraak confronteert. In deze roman, die in 1979 door Volker Schlöndorff werd verfilmd, heeft Grass zijn stijl gevonden.

 

In de jaren zestig werd hij lid van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) van de sociaaldemocratische bondskanselier Willy Brandt.

 

In 1965 ontving hij de Georg-Büchner-Preis.

 

Toen hij in augustus 2006 zelf openbaarde als dienstplichtige lid te zijn geweest van de Waffen-SS (10. SS-Panzer-Division Frundsberg), leidde dit in de Bondsrepubliek Duitsland tot heftige debatten.

 

In april 2012 kreeg de schrijver veel aandacht vanwege een klaagdicht dat Grass in enkele internationale kranten gepubliceerd had. Grass protesteerde tegen de levering van een Duitse duikboot aan Israël waarop kernraketten geplaatst konden worden. Hij noemde daarbij de staat Israël een gevaar voor de wereldvrede en beschuldigde de staat Israël ervan de "uitroeiing van het Iraanse volk" voor te bereiden door een preventieve - mogelijk nucleaire - aanvalsoorlog tegen de Iraanse uraniumverrijkingsinstallaties.[3] Grass plaatst het klaagdicht in de traditie van poëtisch verzet tegen atoombewapening in het algemeen, maar desondanks werd het gedicht door sommigen als "antisemitisch" gebrandmerkt, met name door de presidenten van joodse en Israëlische organisaties. Enkele Duitse politici gingen daarin mee. Angela Merkel wees op de vrijheid van kunstuitingen. De Israëlische minister van binnenlandse zaken Eli Yishai reageerde door te zeggen dat Günter Grass Israël niet meer in mag, zich beroepend op een wet, die het mogelijk maakt ex-nazi's de toegang tot het land te ontzeggen.

 

Samen met Heinrich Böll en Siegfried Lenz wordt hij in Duitsland gerekend tot de naoorlogse Grote Drie.

Mamuntisunio, el photonius - Jalium calaniluitus