Warschau

Reiswijzer

Reizen op maat

Warschau

 

Warschau (Pools: Warszawa) is de hoofdstad van Polen en met ongeveer 1.726.581 inwoners (2014)[2] tevens de grootste stad van het land. De stad ligt in het historische landsdeel Mazovië aan de Wisła, waarbij het centrum op de linkeroever ligt en het stadsdeel Praga op de rechter. De agglomeratie telt ongeveer 2.879.000 inwoners (2005) en is na die van Katowice de grootste van het land. Het is ook de hoofdstad van het woiwodschap Mazovië.

 

Geschiedenis van Warschau

 

De Poolse hoofdstad Warschau (Warszawa) behoort niet tot de oudste steden van Polen. Hoewel er al in de 10e eeuw een fort Stare Brodno aan de Weichsel was gesticht, waaruit zich Oud Warschau ontwikkelde, is de vroege geschiedenis van de stad niet erg duidelijk. In 1241 wordt de stad voor het eerst genoemd. Vanaf 1350 werd de eerste muur gebouwd en in 1380 begon men aan een tweede. Aan het einde van de 14e eeuw werd er een nieuwe stad gesticht (Nieuw Warschau). In 1408 kwam de stad in bezit van Janusz Masowiecki en vanaf 1413 werd het de hoofdstad van zijn vorstendom.

 

Dit vorstendom, Mazovië, kwam in 1526 aan de Poolse Kroon en begon door zijn centrale ligging een steeds belangrijker rol te spelen. In 1546 vestigde de weduwe van Sigmund de Oude, koningin Bona er zich en vanaf 1573 werd de stad de plaats waar de sejm bijeenkwam om de nieuwe koning te kiezen. In 1596 werd de hoofdstad van Polen de facto van Krakau naar Warschau verplaatst en verhuisde de koning naar de stad, maar voor de wet bleef Krakau de hoofdstad tot het einde van het koninkrijk in 1795. Voor de stad was dit echter een bijzonder belangrijke ontwikkeling omdat een aanzienlijk deel van de Poolse adel, de slachta er nu een onderkomen zocht. Ook werd de stad om juridische redenen veel belangrijker. In de jaren 1655-1660 was de stad bezet door de Zweden, die veel huisraad, archieven en andere kostbaarheden naar hun vaderland wegsleepten.

 

Na de Tweede Poolse Deling werd de stad door Pruisen bezet. In de tijd van de Franse Revolutie werd het de hoofdstad van het Hertogdom Warschau, maar in 1815 werd het de hoofdstad van Congres-Polen, een Russische satellietstaat met de Russische tsaar als koning van Polen.

 

In de Eerste Wereldoorlog werd de stad door Duitse troepen bezet, maar vanaf 1918 werd het opnieuw de hoofdstad van een onafhankelijk Polen en beleefde Warschau onder president-dictator Józef Pilsudski een bescheiden bloeiperiode. In 1939 volgde opnieuw een Duitse inmars en werd de grote joodse bevolkingsgroep van zo'n 300.000 mensen de dood ingedreven. Dat ging niet zonder enige moeite, er ontstond in 1943 een opstand in het getto, die bloedig werd neergeslagen. In 1944 kwam in het zicht van de Russische bevrijders, die op de oostelijke oever van de Weichsel lagen, de Poolse bevolking in opstand. De Russische troepen werd bevolen zich erbuiten te houden. Stalin had niet zo veel op met de Poolse nationalisten en democraten. In de strijd die volgde werd de stad, vooral het oude deel goeddeels verwoest en vonden zo'n 200.000 mensen de dood. In de naoorlogse tijd is er echter besloten de stad geheel in oude stijl te herbouwen en de stad staat nu op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. De nauwgezette restauratie van het oudste gedeelte ging de geschiedenis in als het "Wonder van Warschau".

 

Na de val van het communisme in 1989 onderging Warschau een enorme gedaanteverwisseling. Van een grauwe, mistroostige Oostblok-stad, met nauwelijks uitgaansgelegenheden of winkels, veranderde de stad in de bruisende en dynamische stad die het nu is. In rap tempo werden moderne wolkenkrabbers, cafés, restaurants, supermarkten en winkelcentra geopend. Het enigszins vervallen oude centrum werd opgeknapt, Warschau veranderde (samen met Berlijn) in de grootste bouwplaats van Midden-Europa.

 

Getto van Warschau

 

Het Getto van Warschau in Warschau, Polen, was het grootste joodse getto opgericht door nazi-Duitsland tijdens de Holocaust in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het driejarig bestaan van het getto zorgden ondervoeding, ziekte en deportaties naar concentratiekampen en vernietigingskampen voor een daling van het bevolkingsaantal van een geschatte 450.000 tot 37.000 mensen. Hoeveel mensen precies in het getto hebben verbleven is onbekend, de schattingen lopen uiteen tussen de 450.000 en 560.000. In het getto vond de Opstand in het getto van Warschau plaats, een van de eerste massale opstanden tegen de nazi's die Europa bezetten.

 

Oprichting van het getto

 

Plannen om de joodse populatie van Warschau en haar buitensteden te isoleren circuleerden meteen na de Duitse bezetting van Polen in 1939. In 1939 was het Duitse Generalgouvernement nog niet volledig georganiseerd, en waren er verschillen in de belangen van de drie belangrijke partijen: de burgeroverheid, het leger en de SS. Door deze omstandigheden was de jodenraad (Judenrat) in Warschau, onder leiding van Adam Czerniaków, er in geslaagd de oprichting van de getto met een jaar te vertragen, voornamelijk door het leger er op te wijzen hoe waardevol Joden als werkkrachten waren.

 

Het getto van Warschau werd definitief opgericht door de Duitse gouverneur-generaal Hans Frank op 16 oktober 1940, het getto werd gevestigd in een deel van Warschau waar van oudsher veel Joden woonden; de Jodenwijk. Niet-Joden moesten uit de wijk vertrekken, Joden die niet in de wijk woonden moesten hun woningen verlaten en zich in het getto vestigen. De Judenrat, nog steeds onder leiding van Czerniaków, kreeg de administratieve leiding over het getto, zij moesten de bevelen van de Duitsers uitvoeren. Bij de oprichting werd de bevolking van het getto geschat op ongeveer 380.000 mensen, dat was zo'n 30% van de bevolking van Warschau. Het getto bezette 2,4% van het grondgebied van Warschau, daarmee was het getto van meet af aan overbevolkt. Nazi's bouwden op 16 november 1940 een muur rond het getto, waardoor het van de buitenwereld werd afgesloten. De Duitsers en de Poolse politie hielden toezicht op wie er in en uit het getto ging, in het getto was de ordehandhaving in handen van Duitsers, de Poolse Politie en zo'n 2.000 door de Duitsers aangestelde Joden, de Jüdischer Ordnungsdienst. In de anderhalf jaar volgende op de oprichting van het getto werden Joden van kleinere steden en dorpen naar het getto gebracht. Ondanks deze aanwas bleef het bevolkingsaantal ongeveer gelijk en nam in 1942 zelfs af omdat veel inwoners van het getto overleden door ziektes (voornamelijk tyfus) en ondervoeding.

 

Vernietiging van het getto

 

In het begin van 1942 besloten de nazi's op de Wannseeconferentie om de Joden van Europa te vernietigen. De eerste zin van de 'definitieve oplossing' (Endlosung der Judenfrage) was Operatie Reinhard, die als doel had alle Poolse Joden te vernietigen. De bouw van vernietigingskamp Treblinka begon in mei 1942 en was gereed in juli 1942, toen de grootschalige vernietiging van het getto van Warschau op het punt stond te beginnen.

 

Op 22 juli 1942 werd de Judenrat geïnformeerd dat alle Joden 'naar het oosten' zouden worden gedeporteerd. Er waren ook groepen Joden die in eerste instantie gespaard zouden blijven, dit waren Joden die werkten in Duitse fabrieken, joods ziekenhuispersoneel, leden van de Judenrat en hun families en de leden van het joodse politiekorps en hun families. De joodse politie kreeg het bevel om elke dag 6.000 Joden af te leveren bij het treinstation (bekend onder de naam Umschlagplatz). Als dat niet gebeurde zou dat leiden tot de onmiddellijke executie van honderd gijzelaars, inclusief Czerniakóws vrouw. Czerniakóws probeerde de Duitsers te overtuigen om hun plannen te herzien, ook vroeg hij hen in ieder geval de kinderen en als dat niet mogelijk was, dan toch in ieder geval de wezen van het getto te sparen. De Duitsers gaven echter geen gehoor aan de smeekbede van Czerniakóws, hierop pleegde Czerniaków zelfmoord op 23 juli 1942. Czerniakóws liet een brief achter waarin hij schreef: "Ik kan dit niet langer aan. Mijn daad zal aan iedereen bewijzen wat het goede is om te doen". Op 23 juli kwamen de leden van het joodse verzet bij elkaar, maar besloten geen tegenstand te bieden omdat ze toen nog daadwerkelijk geloofden dat de Joden naar werkkampen werden gestuurd.

 

De massadeportaties van de bewoners, zoals op 22 juli werd bevolen, begonnen. In de volgende 52 dagen (tot 21 september) werden ongeveer 300.000 mensen naar het vernietigingskamp Treblinka getransporteerd. In aanvang was de Joodse politie verantwoordelijk voor de deportaties, er werden in juli 64.606 Joden naar de vernietigingskampen gestuurd. Vanaf augustus namen de Duitsers een meer directe rol bij de deportaties, zij zorgden ervoor dat alleen al in augustus 135.000 Joden werden gedeporteerd.

 

De laatste fase van de eerste massadeportaties vond plaats tussen 6 en 10 september 1942. In die vijf dagen werden 35.885 Joden gedeporteerd, 2648 in de getto doodgeschoten en pleegden 60 Joden zelfmoord. Na 10 september bleven ongeveer 55.000 tot 60.000 Joden in het Getto leven. Deze mensen waren of aan het werk in Duitse fabrieken of ze leefden verborgen in het getto.

 

Tijdens de volgende zes maanden werden de overblijfselen van verscheidene politieke organisaties samengebracht onder de naam ŻOB (Joodse Gevechtsorganisatie), geleid door Mordechaj Anielewicz, met 220-500 leden; 250-450 anderen waren georganiseerd in de ŻZW (Joodse Strijdersbond) De leden van deze groepen hadden geen illusies over de plannen van de Duitsers en wilden vechtend sterven. Hun bewapening bestond voornamelijk uit handgeweren, zelfgemaakte explosieven en Molotov-cocktails.

 

Opstand in het getto van Warschau

 

De Opstand in het getto van Warschau (Jiddisch: אױפֿשטאַנד אין װאַרשעװער געטאָ; Pools: Powstanie w getcie warszawskim; Duits: Aufstand im Warschauer Ghetto) was een joodse opstand in het getto van Warschau, Polen, tegen nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De opstand vond plaats van 19 april 1943 tot 16 mei 1943, tot ze bloedig werd neergeslagen door de nazi's onder leiding van SS-Gruppenführer Jürgen Stroop. Een prelude tot de opstand vond plaats op 18 januari 1943 toen de getto-bewoners gewapende aanvallen uitvoerden tegen de Duitsers.

 

De Opstand

 

Op 18 januari 1943 vond het eerste gevecht plaats toen de Duitsers de tweede golf van deportaties begonnen. De joodse strijders verzetten zich hevig en behaalden een belangrijke overwinning: de deportaties stopten na vier dagen en de joodse gevechtsorganisaties Żydowska Organizacja Bojowa (Joodse Gevechtsorganisatie, afgekort als ŻOB) en Żydowski Związek Wojskowy (Joodse Strijdersbond, afgekort als ŻZW) namen de controle in het getto over. Zij bouwden tientallen gevechtsstellingen op, en joodse collaborateurs werden door hen zonder pardon vermoord.

 

Gedurende drie maanden bereidden de bewoners van het getto zich voor op het beslissende gevecht, waarvan zij er zich bewust van waren dat het ook het laatste gevecht zou zijn. Honderden ondergrondse bunkers werden gebouwd onder de huizen, aangesloten op het water- en elektriciteitsnet en vaak met elkaar verbonden middels het riolenstelsel. Sommige bunkers hadden ook tunnels die naar buiten het getto leiden. De gefrustreerde Duitsers voerden ondertussen versterkingen aan, maar wachtten verder af buiten het getto.

 

Steun van buiten het getto was beperkt. Leden van het Poolse Armia Krajowa-verzetsleger (AK) en de kleinere, communistische Gwardia Ludowa voerden sporadisch aanvallen uit op Duitse wachtposten rondom het getto. Een beperkte hoeveelheid wapens afkomstig van het AK werd het getto binnengesmokkeld. De joodse gevechtsorganisaties probeerden ook nog wapens op de zwarte markt te kopen tegen woekerprijzen. Eén eenheid van het AK vocht voor korte tijd binnen de getto-muren samen met de joodse gevechtsorganisaties. Het AK probeerde ook nog 2 keer de getto-muur op te blazen, echter zonder succes.

 

Het finale gevecht begon op de vooravond van Pesach op 19 april 1943. De Duitsers, onder leiding van SS-Gruppenführer Jürgen Stroop, kwamen met zwaar materieel het getto binnen. Ze werden onthaald op een barrage van geweervuur, granaten en molotov-cocktails vanuit geprepareerde hinderlaagposities verspreid over het getto. Vervolgens begonnen de nazi's met artilleriebeschietingen en het systematisch platbranden van elk huis in het getto. Alle opgepakte joden werden ter plekke geëxecuteerd. Binnen korte tijd stond het grootste deel van het getto in brand. De joodse strijders konden zich nog moeilijk verplaatsen en beperkten zich tot het verdedigen van bolwerken. Georganiseerd verzet konden zij niet meer uitvoeren na 23 april, maar individuele acties vonden plaats tot 16 mei. Op 8 mei sneuvelden de leider van de opstand, Mordechaj Anielewicz (die commandant was van de ŻOB ) en zijn medestrijders in een der laatste bunkers (op het adres Mila 18), toen zij zelfmoord pleegden om Duitse gevangenneming te ontlopen. De ŻOB was de verzetsgroep die gelieerd was aan de socialistische Joodse Arbeidersbond, terwijl de getalsmatig even grote ŻZW voornamelijk uit joden bestond die in het Poolse leger hadden gediend in 1939 en politiek gezien als 'rechts' omschreven konden worden. Beiden waren zionistisch van aard.

 

Na de opstand werd het hele getto letterlijk met de grond gelijk gemaakt. Een groot deel van het centrum van Warschau bestond eenvoudigweg niet meer. De Duitsers creëerden in de ruïnes een concentratiekamp (Gesia) en gevangenis (Pawiak) waar veel massa-executies zouden plaatsvinden. Tijdens de latere Opstand van Warschau wist het AK beide gevangenissen te bevrijden, waarbij 380 joodse gevangen werden gered die zich vervolgens aansloten bij het AK.

 

Tijdens de opstand sneuvelden ongeveer 7000 joodse opstandelingen. Ruim 6000 kwamen om toen ze verbrand of vergast werden in hun ondergrondse bunkers. De overige 40.000 joden werden naar het vernietigingskamp Treblinka gestuurd.

Relatie met de Opstand van Warschau van 1944

 

De Opstand in het getto van Warschau van 1943 wordt soms verward met de Opstand van Warschau van 1944. De twee opstanden verschilden echter in doelstelling en omvang. De eerste, in het getto, was een keuze om vechtend de dood in te gaan, met een geringe kans om te overleven, in plaats van een zekere dood in het vernietigingskamp. De tweede was een gecoördineerde actie die onderdeel was van een grote, landelijke opstand (Operatie Storm) met als doel Polen te bevrijden. Toch zijn er bepaalde connecties: ongeveer 1000 strijders uit het getto zouden een jaar later deelnemen aan de Opstand van Warschau. De wreedheid van de nazi-troepen en speciale eenheden van de SS (gerekruteerd door Oskar Dirlewanger uit zware Duitse gevangenen) was vergelijkbaar. Tenslotte was de joodse opstand één van de inspiratiebronnen voor de Poolse opstandelingen in 1944.

 

Sociaal en cultureel leven in het getto

 

Ondanks de ongelooflijke zwaarte van het dagelijks leven, lukte het de Judenrat en de jeugdbewegingen om verscheidene instituten en organisaties in het leven te roepen om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften van de bewoners. De grootste problemen waren overbevolking, honger en inactiviteit. Als reactie nam de Judenrat de verantwoordelijkheid om woonruimte toe te wijzen - gemiddeld zeven mensen per kamer -, terwijl liefdadigheidsorganisaties als CENTOS keukens inrichtten waar gratis soep werd uitgedeeld: op een gegeven moment werd voor twee derde van de bevolking van het getto soep gemaakt. Gedurende een korte tijd was het de Judenrat ook toegestaan om vier basisscholen op te richten voor de kinderen van het getto, maar er was ook een uitgebreid ondergronds schoolsysteem van de verscheidene jeugdbewegingen, dat alle niveaus aanbood (vaak vermomd als keuken), en het systeem organiseerde zelfs cursussen op universiteitsniveau op de zondagen.

 

De Judenrat was ook verantwoordelijk voor de ziekenhuizen en weeshuizen in het getto. Eén weeshuis, geleid door de kinderarts en auteur Janusz Korczak, was ingericht als modeldemocratie, de Republiek van de kinderen. Deze en andere weeshuizen werden in 1942 ontruimd en hun bewoners werden naar Treblinka overgebracht.

 

Het cultureel leven bestond uit een levendige pers in drie talen (Jiddisch, Pools en Hebreeuws), religieuze activiteiten, en lezingen, concerten, theater en tentoonstellingen. In veel gevallen waren de artiesten prominente figuren in het Poolse culturele leven tijdens de oorlog.

 

Een van de meest opmerkelijke culturele inspanningen in het getto waren die van historicus Emmanuel Ringelblum en zijn groep Oyneg Shabbos, die documenten verzamelden van mensen van alle leeftijden en posities om een geschiedenis van het sociale leven in het getto te maken. In totaal werden een geschatte 50.000 documenten verzameld. Deze documenten werden verstopt in drie afzonderlijke groepen, waarvan er twee gevonden zijn en een onmisbaar inzicht hebben gegeven in het leven in het getto.

 

De Tweede Wereldoorlog verliep tragisch voor de stad: het omvangrijke joodse getto werd vernietigd na de joodse opstand in 1943, en de stad werd goeddeels verwoest tijdens en na de Opstand van Warschau van 1944. Na afloop van de laatste opstand werden alle overgebleven inwoners de stad uit gedreven. De bevolking daalde van 1,3 miljoen in 1939 tot 420.000 in september 1945.

 

In de naoorlogse tijd is het oude centrum (Stare Miasto) echter in oude stijl herbouwd en de stad staat nu op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. De nauwgezette restauratie ging de geschiedenis in als het "Wonder van Warschau".

 

Bezienswaardigheden

 

Het hart van de oude stad Stare Miasto is de Rynek Starego Miasta, het oude marktplein, omgeven door kleurige huizen, die tussen 1949 en 1963 minutieus herbouwd werden onder leiding van een Russische architect. Ook andere straten en een deel van de oude omwalling (met het bastion Barbakan) werden hersteld.

 

Stare Miasto (Warschau)

 

Geschiedenis

 

De Stare Miastro werd gesticht in de 13e eeuw rondom het kasteel van de Hertog van Mazovië. In de begindagen werd het, voor bescherming, omringd met een aarden muur dat rond 1339 werd vervangen voor een stenen muur. Het belangrijkste marktplein, de Rynek Starego Miasta, werd aangelegd aan het einde van de 13e eeuw of het begin van de 14e eeuw. Dit plein verbond het kasteel met de Nowe Miasto (Nieuwe Stad). Sinds de 19e eeuw dragen de vier zijdes van het plein de naam van belangrijke Polen die aan het plein woonden. Dit zijn Jan Dekert (Noord), Franciszek Brass (Oost), Ignacy Zakrzewski (Zuid) en Hugo Kołłątaj (West). Tijdens de Poolse veldtocht in 1939 raakte de wijk zwaar beschadigd door de terreurbombardementen van de Luftwaffe. Tijdens de belegering van Warschau werd er begonnen aan de wederopbouw van de historische gebouwen. Na de Opstand van Warschau in 1944 werden echter alle gebouwen systematisch opgeblazen door de Duitsers. Na de oorlog werd de wijk snel herbouwd waarbij zo veel mogelijk de originele stenen werden gebruikt. Ter herdenking aan de Opstand van Warschau werd in 1983 in het midden van de wijk een standbeeld onthuld, de Mały Powstaniec.

UNESCO Werelderfgoed

 

In 1980 werd de wijk toegevoegd aan de UNESCO Werelderfgoedlijst wegens het bijna perfecte behoud en reconstructie van historische gebouwen uit de 13de tot en met de 20ste eeuw.

 

 

Aan de rand van de oude stad bevindt zich het Slotplein (Plac Zamkowy) met het Koninklijk Paleis(17e-eeuws, herbouwd) en de aan koning Sigismund III Wasa gewijde gedenkzuil (Zygmunt-zuil). Sigismund was de koning van Polen die Warschau, boven Krakau als hoofdstad verkoos, omdat het dichter bij Zweden lag.

 

Koninklijk Paleis (Warschau)

 

Geschiedenis

 

Eind 13e eeuw werd op de locatie van het huidige Koninklijk Paleis een houten fortificatie gebouwd. Jan I van Warschau bouwde tussen 1407 en 1410 een gotisch kasteel dat na 1526 diende als koninklijke residentie. Het gebouw werd meermalen verbouwd totdat het begin 17e eeuw het huidige barokke aanzien kreeg.

 

Het gebouw heeft onder verscheidene oorlogen geleden. Tijdens de Grote Noordse Oorlog richtten Zweedse soldaten vernielingen aan en werd het paleis geplunderd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het paleis verwoest. Het brandde geheel uit door de Duitse bombardementen in september 1939. De ruïnes werden na de Opstand van Warschau in 1944 opgeblazen.

 

Tussen 1971 en 1984 werd het paleis herbouwd, waarna het werd opengesteld voor het publiek.

 

 

Bij dit plein begint de Koninklijke Route, bestaande uit de belangrijke boulevards Krakowskie Przedmiescie en Nowy Świat, die uiteindelijk naar de voormalige koninklijke buitenverblijven Wilanów leiden. Langs de route ligt ook het oudste en mooiste stadspark van Warschau, Łazienki-park.

 

Ten noorden van de oude stad ligt de Nowe Miasto (nieuwe stad) met gebouwen uit de 17e eeuw.

 

Ten westen van de oude binnenstad is na de Tweede Wereldoorlog een nieuw centrum verrezen. Dit gebied kenmerkt zich door hoge, modernistische gebouwen en brede straten; vaak met vrijliggende trambanen. Dit gebied is gebouwd rond het Paleis van Cultuur en Wetenschap, (Pools: Pałac Kultury i Nauki), een kolossaal bouwwerk in stalinistische stijl, gebouwd tussen 1952 en 1955 en een geschenk van Stalin aan de stad. Dit gebouw, naast het Centraal Station, is voor publiek toegankelijk, en biedt vanaf de hoogste verdieping uitzicht over de stad. De inwoners van Warschau hebben gemengde gevoelens bij het paleis, door de zeer gevoelige historische verbintenis met de voormalige Sovjet-Unie. Grapjes die wel worden gemaakt over het paleis zijn bijvoorbeeld: "Warschau is het mooist bekeken vanaf het Paleis van Cultuur en Wetenschappen: dan zie je het paleis zelf namelijk niet" en het wordt spottend ook wel eens Peking genoemd. (Naar de afkorting PKiN.)

 

Sinds de val van het communisme in 1989 heeft Warschau zich in rap tempo getransformeerd. Moderne wolkenkrabbers domineren nu de skyline van Warschau, waar voorheen alleen het Paleis voor Cultuur en Wetenschappen opviel.

Kerken

 

Johanneskathedraal, een van de oudste kerken van de stad

Johanneskathedraal (Pools: Katedra św. Jana) is een kathedraal gelegen in de Oude Stad van de Poolse hoofdstad Warschau. Het is één van de oudste kerken van de stad en de belangrijkste kerk van het Aartsbisdom Warschau.

 

Geschiedenis

 

De kerk werd oorspronkelijk gebouwd in de 14de eeuw als een Mazovische gotische kerk en diende als een kronings- en begrafenisplek voor diverse hertogen van Mazovië. Hier stond een houten kerk die door een stenen kerk werd vervangen.

 

Omdat de kerk als slotkapel fungeerde werd met het Koninklijk Paleis verbonden door een 80 meter lange verhoogde corridor, dat aan het einde van 16de eeuw gebouwd werd door koning Anna Jagiellon en na 1620 uitgebreid nadat Michał Piekarski voor de kathedraal een mislukte moordaanslag pleegde op koning Sigismund III van Polen. In 1602 stortte de kerk in, waarna hij in de daaropvolgende jaren diverse keren werd herbouwd. In de 18de eeuw werden hier de koningen van Polen gekroond, koninklijke huwelijken gesloten en koninklijke begrafenissen en begrafenissen van belangrijke personen verzorgd.

 

Nadat de kerk in 1798 een kathedraal was geworden, werd zij in 1836 verbouwd in een Engelse neogotische stijl. Ze werd volledig verwoest door de Duitsers tijdens de Opstand van Warschau (augustus-oktober 1944). De kathedraal werd tussen 1948 en 1956 onder leiding van architect Jan Zachwatowicz herbouwd. De kathedraal werd bij de restauratie weer teruggebracht in de oorspronkelijke gotische stijl, waardoor ze het uiterlijk van vóór de verbouwing van 1836 terugkreeg.

 

De kathedraal heeft een stervormig gewelf. In de rechter zijbeuk zijn de epifaten van de Poolse presidenten Piłsudski en Paderewski aangebracht, verder bevinden zich er het grafmonument van de laatste hertogen van Mazovië en het altaar van de heilige Maksimilian Kolbe. Het classicistische monument van Małachowski, maarschalk van de Sejm is vervaardigd door de Deen Thorvaldsen.

 

In de kathedraal bevindt zich ook een besneden koorgestoelte die een geschenk was van koning Jan III Sobieski. Het doopvont stamt uit 1632.

 

Kroningen

 

Cecylia Renata, de echtgenote van Wladislaus Wasa op 13 september 1637

Eleonore von Habsburg, de echtgenote van Michaël Korybut Wiśniowiecki op 19 oktober 1670

Stanislaus Leszczyński en Katarzyna Opalińska op 4 oktober 1704

Stanislaus II August Poniatowski op 25 november 1764

 

Begraven

 

Hertogen van Mazovië

De laatste Poolse koning Stanisław August Poniatowski

Vrijheidsvechter Kazimierz Sosnkowski

Staatsman Stanisław Małachowski

Poolse president Gabriel Narutowicz

Premier en componist Ignacy Jan Paderewski

Schilder Marcello Bacciarelli

Schrijver Henryk Sienkiewicz

 

 

Jezuïetenkerk, tegenover de Johanneskathedraal, met een maniëristische façade

Jezuïetenkerk (Pools: Kościół Jezuitów) of de Kerk van de Genadige Moeder van God (Pools: Kościół Matki Bożej Łaskawej) is een kerk gelegen in de Oude Stad van de Poolse hoofdstad Warschau, pal naast de Johanneskathedraal.

Geschiedenis

 

De Jezuïetenkerk werd in 1609 door koning Sigismund III van Polen en Podkomorzy Andrzeij Bobola (de Oude) gesticht. Het hoofdgebouw was gebouwd tussen 1609 en 1626 door Jan Frankiewicz in Poolse maniëristische stijl. In 1627 werd de kerk uitgebreid met drie kapellen en in 1635 werd Urszula Mayerin, een groot aanhanger van de Sociëteit van Jezus en maîtresse van koning Sigismund III, er in begraven. Mayerin financierde voor de kerk een zilveren koepelvormige nis. Haar graf werd in 1650 geplunderd en verwoest door Zweedse en Brandenburgse troepen tijdens de Deluge.

 

Het indrukwekkende puur zilveren hoofdaltaar werd rond 1640 gebouwd door kardinaal Karol Ferdynand Wasa. Het werd gedurende de Deluge gestolen. In latere jaren werd de kerk diverse malen herbouwd en meer en meer versierd met rijke barokke inventaris en marmeren altaars en vloeren. Er werden ook twee kapellen toegevoegd aan de kerk. Tijdens de Opstand van Warschau in 1944 werd de kerk compleet verwoest door de Duitsers. Alleen wat overbleef van het vierhonderd jaar oude gebouw was een grote berg van puin. Tussen 1950 en 1973 werd de kerk herbouwd in een simpele architectonische vorm.

Interieur

 

De façade heeft een stijl van maniërisme, desondanks is het interieur compleet modern. Binnen de kerk zijn er de bewaarde fragmenten van een indrukwekkende graftombemonument van Jan Tarło opgericht door Jan Jerzy Plersch en gebouwd in wit en zwart marmer. Er bevindt zich een schilderij van een Maria-vol-van-genade van bisschop Juan de Torres uit 1651 en in het transept een crucifix uit het einde van de 14de eeuw.

 

 

Sint-Annakerk, in de buurt van het Slotplein, met een neoclassicistische façade

De Sint-Annakerk (Pools: Kościół św. Anny) is een kerk gelegen in de Poolse hoofdstad Warschau en gelegen aan de Krakowskie Przedmieście. De kerk heeft een neoclassicistische façade.

Geschiedenis

 

In 1454 werd de kerk met een klooster voor de franciscaanse monniken gesticht door de hertogin van Mazovië en de Roetheense prinses Anna Holszańska. Het plein voor de kerk was de plek van plechtige huldebetuigingen door de heersers van Pruisen aan de Poolse koningen (de eerste was in 1578 en de laatste was in 1621). In 1582 werd er een toren aan de kerk gebouwd. Later werd het omsloten door een rampart en bij de stadsfortificaties getrokken.

 

De Annakerk werd verscheidende keren in 1603, 1634, 1636 en in 1667 (het was zwaar beschadigd en geplunderd tijdens de belegering van Warschau door Zweedse en Duitse troepen in 1650) gereconstrueerd. Tussen 1740 en 1760 werd de façade gereconstrueerd in rococo-stijl versierd volgens de plannen van Jakub Fontana. De muren en halfronde kruisplafonds van de kerk die verdeeld waren in nissen werden in die tijd versierd met illusionistische schilderijen die het leven van de Annakerk afbeelden. De kapel van Saint Ładysław werd ook in die stijl versierd. Alle schilderijen waren van de hand van monnik Walenty Żebrowski.

 

De Annakerk werd voor de laatste keer gereconstrueerd tussen 1786 en 1788 in opdracht van koning Stanislaus August Poniatowski. In 1786 werden vier evangelistenbeelden van Jacopo Monaldi geplaatst. Tijdens de Opstand van Warschau in 1794, die als deel werd beschouwd van de nationale Opstand van Kościuszko in 1794, werd bisschop Józef Kossakowski, die als verrader van de natie werd beschouwd, voor de kerk geëxecuteerd (opgehangen onder groot applaus van de inwoners van Warschau). In 1832 werd er een kapel gebouwd door Marconi, die nu gewijd is aan de moord van Jozef Stalin op 20.000 Poolse officieren in de Tweede Wereldoorlog bij Katyn. De kerk was licht beschadigd tijdens het Duitse bombardement op Warschau in 1939 (alleen het dak en de torentjes werden verwoest door brand en gereconstrueerd door architect Beata Trylińska). Het dak werd later tijdens de Opstand van Warschau in 1944 door de Duitse Wehrmacht verwoest. De kerk werd tussen 1946 en 1962 herbouwd.

 

Heilig-Kruiskerk, tegenover de universiteit, in barokke stijl

Heilig Kruiskerk (Pools: Kościół św. Krzyża, ook Kościół świętokrzyski) is een Rooms-katholieke kerk in de Poolse hoofdstad Warschau. Gelegen aan de Krakowskie Przedmieście direct tegenover de Universiteit van Warschau. De machtige barokke façade met de twee torens domineert de straat.

Geschiedenis

 

Aan het begin van de 15de eeuw werd op deze plek een kleine houten kapel van het Heilig-Kruis opgericht. In 1526 werd de oude kapel gesloopt en een nieuwe kerk werd gebouwd. In 1615 werd het herbekleed en uitgebreid door Paweł Zembrzuski, de kerk was te klein geworden door de groei van Warschau. Oorspronkelijk was het buiten de stadsmuren gelegen, maar in de 17de eeuw werd het één van de belangrijkste kerken in de zuidelijke stadsdelen. In 1656 gaf koningin Marie Louise Gonzaga de kerk aan de Franse Orde van de Missionarissenmonniken van Vincent de Paul. Later in dat jaar werd Warschau tijdens de Deluge ingenomen door Zweedse legers. De kerk werd door de Zweden geplunderd. Tijdens de regeerperiode van koning Jan Sobieski werden de restanten van de kerk gesloopt en er werd een nieuw kerkgebouw gebouwd. Begin van 1700 was het begin van de gorzkie żal gewoonte.

 

Het hoofdgebouw werd tussen 1679 en 1696 gebouwd volgens plannen van architect Józef Szymon Bellotti, de Koninklijke architect van het Koninklijk Hof van Polen. Het werd gefinancierd door abt Kazimierz Szczuka en de Primaat van Polen Michał Stefan Radziejowski. De façade werd naar voorbeeld gebouwd volgens de Renaissance façades van de kerken in de buurt. In die tijd werden ook de twee torentjes die de façade versieren gebouwd. Tussen 1725 en 1737 werden twee barokke bovenstukken van Józef Fontana aan de kerk toegevoegd. De façade werd in 1756 gereconstrueerd door de zoon van Fontana, Jakub en versierd met beelden van Jan Jerzy Plersch.

 

Tijdens de Opstand van Warschau van 1794 werden de trappen die naar de hoofdingang leidde verwoest en werd vervangen door een ontwerp van Chrystian Piotr Aigner. Voor de kerk speelde vele belangrijke gebeurtenissen zich af, zoals tijdens de demonstraties van 1861 en de Opstand van 1863. Aan het einde van de 19de eeuw veranderde het interieur van de kerk en in 1882 werd een urn met het hart van Frédéric Chopin in één van de kapellen van de kerk bijgezet. Daarna volgde een urn met de overblijfselen van Władysław Reymont. In 1889 werd de buitentrappen die leidde naar de hoofdingang gereconstrueerd en een beeld van Christus onder het Kruis van Pius Weloński toegevoegd. Andere epitafen zijn gewijd aan de schrijver Bolesław Prus, schrijver Józef Ignacy Kraszewski, dichter Juliusz Słowacki en generaal Władysław Sikorski die tijdens de Tweede Wereldoorlog opperbevelhebber van de Poolse strijdkrachten in het westen was.

 

Tijdens de Opstand van Warschau in 1944 raakte de kerk zwaar beschadigd, nadat de Duisters haar hadden opgeblazen. De kerk werd tussen 1945 en 1953 herbouwd door B. Zborowski in een simpele architectonische vorm. De interieur werd gereconstrueerd, zonder de barokke polychromie en fresco's. Het barokke hoogaltaar uit 1699 werd tussen 1960 en 1972 gereconstrueerd gecombineerd met een moderne schilderij van Komorowski. In 2003 gaf paus Johannes Paulus II de kerk de status van Basilica minor.

 

Het orgel van de Heilig Kruiskerk is de grootste van Warschau. Het orgel werd in 1925 in Salzburg gebouwd.

Alexanderkerk, oorspronkelijk uit 1818, herbouwd na de Tweede Wereldoorlog

Alexanderkerk (Pools: Kościół św. Aleksandra) is een Rooms-katholieke kerk in de Poolse hoofdstad Warschau. De kerk is gelegen aan het Plac Trzech Krzyży (Drie Kruizenplein).

Geschiedenis

 

Op het plein vormt de Alexanderkerk het middelpunt en vroeger kwamen de wegen bij elkaar die van uit de huidige stadswijken Ujazdów, Solec en Mokotów naar Warschau voerden.

 

In 1818 begon men met de bouw van de kerk ter gelegenheid van de intocht van Russische tsaar Alexander I en zijn kroning tot koning van Polen. Architect Chrystian Piotr Aigner liet zich inspireren bij de bouw door het Pantheon in Rome. Tussen 1886 en 1895 werd de kerk door Józef Pius Dziekoński in neorenaissance stijl herbouwd. Van de oorspronkelijke inrichting is alleen nog het 17de-eeuwse beeld van Christus in het Graf bewaard gebleven. In de kerk vonden verschillende historische gebeurtenissen plaats, zoals de begrafenis van Bolesław Prus in 1912, hij overleed een paar blokken van de kerk in zijn appartement aan de ulica Wilcza.

 

De kerk raakte in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Opstand van Warschau in 1944 beschadigd. Maar de kerk werd tussen 1949 en 1953 in klassieke stijl herbouwd.

Evangelisch-Augsburgse Kerk van de Heilige Drie-eenheid, een centraalbouw uit 1777, herbouwd na de Tweede Wereldoorlog

 

De Augsburger Evangelistenkerk (Pools: Zbór Ewangelicko-Augsburgski) of de Heilige Evangelische Kerk van de Drievuldigheid van de Bekentenis van Augsburg is een lutheraanse kerk in de Poolse hoofdstad Warschau. Het is één van de twee Augsburger Evangelische kerken van Warschau.

Geschiedenis

 

De bankier van koning Stanisław August Poniatowski, Piotr Tepper spande zich in voor de bouw van de kerk en in 1777 kreeg hij groen licht van de koning. Maar de koning schiep voor hem het recht om het ontwerp van het gebouw te kiezen. De kerk werd tussen 1777 en 1782 naar ontwerpen van Szymon Bogumił Zug gebouwd in de vorm van een classicistische rotonde, zoals het Pantheon in Rome. De kerk heeft een cirkelvormige plattegrond met drie symmetrische bijruimten. De Lutheraanse kerk was ten tijde van de voltooiing het hoogste gebouw van het 18de-eeuwse Warschau. De doorsnede van de koepel was 33.4 meter en de hoogte was 58 meter. De enorme koepel wordt bekroond door indrukwekkende zuilenlantaarns. In de kerk lopen ook boven elkaar twee galerijen die, zoals dat bij de protestantse kerken gebruikelijk is, rond de preekstoel zijn gegroepeerd.

 

De koepel van de kerk stortte tijdens het Duitse bombardement op Warschau op 16 september 1939 in. De kerk werd tijdens de Opstand van Warschau in 1944 door de Duitsers in brand gestoken. De kerk werd in 1956 weer in gebruik genomen als kerk. Door zijn akoestische verbetering en zijn orgel gebruikt de Kameropera van Warschau (Warszawska Opera Kameralna) de kerk vaak voor diverse huisconcerten voor klassieke muziek.

Paleizen

 

Koninklijk Paleis

Królikarnia ("Konijnenstal")

Królikarnia (Nederlands: Konijnenstal) is een paleis gelegen in de Poolse hoofdstad Warschau in het stadsdeel Mokotów.

Geschiedenis

 

Het paleis dankt zijn naam omdat hier vroeger konijnen werden gefokt voor de Koninklijke jachtpartijen. In 1778 werd het land overgenomen door graaf Karol de Valery Thomatis, de kamerheer van koning Stanisław August Poniatowski. Het paleis werd tussen 1782 en 1786 gebouwd volgens de ontwerpen van Domenico Merlini. Het paleis kreeg de vorm van een Romeins-Renaissance Villa Capra La Rotanda. Tijdens de Opstand van Kościuszko in 1794 werd het paleis zwaar beschadigd en graaf Thomatis gewond. Tadeusz Kościuszko verbleef vijf dagen in juli 1794 in het paleis. In 1816 werd Królikarnia gekocht door Michał Hieronim Radziwiłł, die er een deel van zijn kunstcollectie onderbracht. In 1849 werd het paleis gekocht door Ksawery Pusłowski. Door het Duitse bombardement op Warschau in 1939 en de Opstand van Warschau in 1944 werd het paleis verwoest. Het paleis werd naar de oorlog herbouwd en heropend in 1964. In 1964, werd in het paleis het Xawery Dunikowski museum ondergebracht met werken van de Poolse beeldhouwer en kunstenaar Xawery Dunikowski.

Łazienkipaleis

Het Łazienkipaleis (Pools: Pałac Łazienkowski), ook wel Paleis op het Water (Pools: Pałac na Wodzie) en het Paleis op het Eiland (Pools: Pałac na Wyspie) genoemd, is een neoclassicistisch paleis in Łazienki Park in de Poolse hoofdstad Warschau.

Geschiedenis

 

Oorspronkelijk in 1772 als een badhuis gebouwd voor de machtige aristocraat Stanisław Herakliusz Lubomirski, gebouwd op een eilandje in het midden van een meer door Tylman van Gameren. Het werd tussen 1764 en 1795 compleet herbouwd door Domenico Merlini voor koning Stanisław August Poniatowski om dienst te doen als zijn privé-residentie. Het paleis werd gebouwd op een kunstmatig eiland dat het meer verdeelde in twee gedeelten, een klein noordelijk meer en een groot zuidelijk meer; het wordt met de rest van het park verbonden door twee Ionische colonnadebruggen. In 1775 werd het zuidelijk deel van het paleis verhoogd met een verdieping. In 1784 werd dor Merlini een nieuwe zuidfaçade ontworpen en in 1788 werden de vleugels aan het paleis aangebouwd, hierdoor ontstonden de balzaal, de Salomonzaal en een galerij. Ook aan de noordkant werd een façade opgericht, die een streng en monumentaal uiterlijk heeft. In 1792 werd het paleis uitgebreid met beide paviljoens op de oevers van de colonnades die in verbinding stonden met het hoofdgebouw.

 

Koning Stanisław August Poniatowski bleef gedurende zijn gehele regeerperiode aan Łazienki bouwen. Na de dood van de koning nam prins Poniatowksi het paleis en het omliggende park over. Vanaf 1817 was het de residentie van de Russische tsaren. Tussen de twee wereldoorlogen werd het paleis staatsbezit

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog boorden soldaten van de Wehrmacht tienduizenden gaten in de gestripte muren van het paleis. Ze vulden de muren met dynamiet, maar het lukte hen alleen het paleis in brand te steken en alleen de eerste verdieping raakte licht beschadigd. Tussen 1945 en 1965 vonden onder leiding van architect Jan Dądrowski reparaties plaats aan het paleis. Ook werd na de Tweede Wereldoorlog het paleis tot de jaren zestig gebruikt als barakken. Na de herbouw werd het paleis onderdeel van het nationaal museum.

Paleis onder het blikken dak (Pałac pod Blachą)

Het Paleis onder het blikken dak (Pools: Pałac pod Blachą) is een 18de-eeuws paleis in Warschau. Het paleis grenst aan het Koninklijk Paleis.

 

Het paleis werd in 1720 gebouwd in opdracht van prins Jerzy Lubomirski. De geleding van de gevel was geïnspireerd op het strenge Franse classicisme, hieraan dankt het paleis zijn naam. In 1776 werd het door Stanisław August Poniatowski gekocht en werd later geschonken aan prins Józef Poniatowski, hij was de oom van de prins. De jonge Poniatowski was een succesvol commandant tijdens de Opstand van Kościuszko in 1794 en was later één van Napoleons maarschalken.

 

Tijdens de Opstand van Warschau van 1944 werd het door de Duitsers in brand gestoken en tussen 1948 en 1949 herbouwd.

 

Het paleis huisvest tegenwoordig een collectie oosterse tapijten.

Potockipaleis

Potockipaleis (Pools: Pałac Potockich) is een barok paleis in Warschau gelegen aan de Krakowskie Przedmieście tegenover het Presidentieel Paleis. Het werd oorspronkelijk gebouwd door de familie Denhoff en vervolgens afgebouwd door de familie Potocki aan het einde van de 18de eeuw.

Geschiedenis

 

Het oorspronkelijke gebouw dat op de plek staat van het Potockipaleis werd in brand gestoken door de Zweden en de Duitsers in 1650. Het nieuwe paleis werd bevolen door Ernest Denhoff en de bouw begon in 1693 onder architect Giovanni Pioli. Van 1731 behoorde het paleis toe tot August Aleksander Czartoryski.

 

Onder de familie Czartoryski onderging het paleis diverse renovaties. In 1760 kreeg de façade van het paleis een nieuw uiterlijk en werden de zijvleugels toegevoegd, dit volgens de plannen van Jakub Fontana. Tussen de twee vleugels werd in 1763 een wachtershuis gebouwd met beelden van Sebastian Zeisl en twee poorten aan elke zijde. Het gebouw werd door een binnenplaats van de straat gescheiden en omgeven door een smeedijzeren hek met een poort. Het hek werd door Leandro Marconi ontworpen in een neo-rococo stijl.

 

Tussen 1799 en 1944 was het paleis in het bezit van de familie Potocki. Het Potockipaleis werd in 1944 door de Duitsers in brand gestoken tijdens de Opstand van Warschau. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw tussen 1948 en 1950 gerestaureerd volgens het ontwerp van Jan Zachwatowicz. Het werd de zetel van het Poolse ministerie van Kunsten en Wetenschappen.

Raczyńskipaleis

Raczyńskipaleis (Pools: Pałac Raczyńskich) is een paleis gelegen in de Poolse hoofdstad Warschau. Het is gelegen aan de Ulica Długa.

Geschiedenis

 

In het begin van de 18de eeuw stond al een gebouw op het plek van het Raczyńskipaleis, waarschijnlijk gebouwd door de architect Tylman van Gameren voor Jacob Schulzendorfa. In 1717 werd het paleis gekocht door bisschop Konstanty Szaniawski.

 

In 1786 werd het paleis herbouwd in neo-classicistische stijl door architect John Chrystian Kamsetzer Tijdens de Opstand van Kosciusko in 1794 werden hier de zittingen gehouden van de Nationale Raad. Tijdens de Napoleontische Oorlogen woonden in het paleis de Franse maarschalken Joachim Murat, Louis Nicolas Davout en Lannes. In 1827 werd het paleis weer verkocht. Het werd onderdeel van de Russische Commissie van Justitie. Tijdens het Interbellum was het paleis de zetel van het Poolse ministerie van Justitie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Raczyńskipaleis de zetel van de Duitse rechtsprekende instanties in het bezette Polen. Tijdens de Opstand van Warschau in 1944 deed het paleis dienst als ziekenhuis voor gewonde Poolse opstandelingen.

 

Het paleis werd herbouwd tussen 1948 en 1950 door Wladyslaw Kowalski en Boris Zinserlinga. De balzaal werd tussen 1972 en 1976 gerestaureerd.

Architectuur

 

De gevel van het paleis is een voorbeeld van streng classicisme. Met een strakke daklijst, ongedecoreerde vensteropeningen en een middenisaliet die als een klassiek tempelfront naar voren springt. Aan het paleis is een plaquette bevestigd die eraan herinnert dat de Duitsers in 1944 430 gewonden, die zij hier na de opgave van de oude Stad vonden, vermoorden.

Sapiehapaleis

Sapiehapaleis (Pools: Pałac Sapiehów) is een paleis dat gelegen is in de Poolse hoofdstad Warschau.

 

Het paleis werd tussen 1731 en 1746 in opdracht van Jan Fryderyk Sapieha gebouwd in barokke stijl volgens de plannen van architect Jan Zygmunt Deybel. Er werden later twee vleugels aangebouwd en ook de weelderige rococo-decoratie en de ambitieuze gevelbekroning.

 

Van 1818 tot 1820 werd het herbouwd voor legerdoeleinden tot de Koszary sapieżyńskie-kazerne. Tijdens de Opstand van november 1830 diende het als kazerne voor het Poolse 4de Infanterieregiment (Czwartacy). Het werd tijdens de Opstand van Warschau in 1944 verwoest door Duitse troepen. Het paleis werd tussen 1950 en 1955 door Marię Zachwatowiczową herbouwd.

Wilanówpaleis

 

Wilanówpaleis (Pools: Pałac w Wilanowie; Pałac Wilanowski) is een paleis gelegen in de Poolse hoofdstad Warschau in het stadsdeel Wilanów. Het is samen met het park en andere gebouwen in het park, één van de meest precieuze monumenten van Polen.

 

Geschiedenis

 

In 1677 kocht koning Jan Sobieski het dorp Wilanów voor de bouw van een zomerresidentie buiten het warme en lawaaiige Warschau. Architect van Wilanów werd Augusino Locci aangewezen, de secretaris van de koning. Locci had geen enkele bouwkundige ervaring. Hij bouwde aanvankelijk een gelijkvloers gebouw met vier hoekpaviljoens. Dit werd snel daarna verhoogd met een verdieping en werden er twee galerijen met hoektorens toegevoegd, hierdoor kreeg het paleis een uiterlijk van een Italiaanse villa. Het kreeg ook de naam Villa Nova, die later veranderde in de Poolse naam Wilanów. Na de dood van koning Jan Sobieski in 1696, bleef het paleis tot 1720 eigendom van zijn zoons. In 1720 werd het paleis gekocht door Elzbieta Sieniawska, de vrouw van prins Stanislaw Herkaklilusz Lubomirski. Zij vergrootte het paleis door de bouw van twee zijvleugels. In 1730 verhuurde hun dochter Zofia Dönhoff het paleis aan koning August II van Polen. Na de dood van August II in 1733 kwam het paleis terug aan Zofia Dönhoff, die inmiddels getrouwd was met August Czartoryski. In 1778 werd hun dochter Izabella Lubomirski de nieuwe eigenaar, die het paleis verder liet moderniseren en vergroten. Er werd onder andere een oranjerie en een neoclassicistisch badhuis gebouwd.

 

In 1799 werd Stanisław Kostka Potocki de nieuwe bewoner van het paleis. Potocki was een groot kunstliefhebber en breidde de kunstverzameling van Wilanów verder uit. In de noordvleugel werd een galerij voor zijn verzameling gebouwd. In 1805 ontstond in het paleis één van de eerste openbare musea van Polen. In 1892 kwam het paleis door vererving in bezit van graaf Ksawery Branicki, wiens zoon het met zijn gezin bewoonde tot 1945. Al was het paleis al zwaar beschadigd door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog, het ontsnapte tijdens de Opstand van Warschau in 1944 aan verwoesting. In 1945 werd het paleis met zijn kunstschatten staatseigendom. In 1962 werd het heropend voor het publiek.

Interieur

Het Wilanówpaleis heeft meer dan zestig vertrekken en heeft voornamelijk nog zijn oorspronkelijke indeling behouden. De symmetrische indeling van het paleis is gebouwd volgens de stijl van de Italiaanse villa. In het midden zijn twee achter elkaar gelegen zalen met links en rechts daarvan lagen de vertrekken van de koning en koningin. Op de eerste verdieping bevinden zich een galerij van Poolse portretten. Op de begane grond bevinden zich de grote zaal met plafondschilderingen met de koning afgebeeld als Apollo die het duister verdrijft. In de kleine rode salon in de linkervleugel dankt zijn naam aan de kleur van het Italiaanse damast. In de salon bevindt zich het schilderij Bacchus van Jordaens, een groot schilderij van Viviani en De intocht van de Poolse ambassadeur in Rome van Van Bloemen. In de rechtervleugel bevindt zich de witte zaal die in 1730 als eetzaal door Deibel werd ontworpen.

 

Park

 

Het park die rond het paleis ligt heeft een oppervlakte van 43 hectare en belicht verschillende vormen van tuinarchitectuur van de 17de tot de 19de eeuw. Kleine gebouwen en standbeelden staan door het gehele park. Met het aanleg van het park werd begonnen onder koning Jan Sobieski. De barokke parterre in Frans-Italiaanse stijl is in het midden van het park gelegen. Er bevindt zich nog een neorenaissance rozentuin, een één-hectare bloementuin en een labyrint van heggen.

Sint-Annakerk van Wilanów en het Potocki-mausoleum

 

De Sint-Annakerk is in het noordelijke gedeelte gelegen van het park en is tussen 1772 en 1775 gebouwd. Het werd gebouwd door August Aleksander Czartoryski en herbouwd tussen 1857 en 1870 door architecten Enrico Marconi en Jan Kacper Heurich in neorenaissancistische stijl.

 

Het Belvedèrepaleis

Het Belvedèrepaleis (Pools: Pałac Belwederski) is een paleis in Warschau gelegen in het Łazienki-Park.

Geschiedenis

 

Al sinds de 17de eeuw stond op de plek van het Belvedère het paleis van de Litouwse grootkanselier graaf Krzystof Pac. Door het mooie uitzicht kreeg het paleis de naam Belvedère. In de eerste helft van de 18de eeuw werd het paleis verbouwd in een barokke stijl door de familie Lubomirski. De laatste Poolse koning Stanisław August Poniatowski kocht het in 1767 en gebruikte het porseleinfabriek. Van 1818 tot 1830 was het de residentie van de Russische Groothertog Constantijn., hij vluchtte na de Opstand van november 1830. Hij liet het nog in 1822 door Kubickie in classicistische stijl verbouwen.

 

Na de Eerste Wereldoorlog werd het de residentie van maarschalk Józef Piłsudski. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het paleis herbouwd voor Hans Frank, gouverneur-generaal van het Generalgouvernement. Het werd ook gezien als een toekomstig Hitler-Residenz. Van 1945 tot 1952 was het de residentie van Bolesław Bierut en later werd het de residentie van de Raad van State. Van 1989 tot juli 1994 was het de officiële residentie van de Poolse president, maar het werd te klein gevonden voor dat doeleinde. Tegenwoordig bevindt zich er een museum over Józef Piłsudski in het paleis. Andere Poolse presidenten in het paleis hebben geresideerd waren Gabriel Narutowicz, Stanisław Wojciechowski en Lech Wałęsa.

Overige

 

Graf van de onbekende soldaat

Het Graf van de onbekende soldaat (Pools: Grób Nieznanego Żołnierza) is een monument in Warschau waar het stoffelijk overschot begraven werd van een onbekende soldaat.

Geschiedenis

 

Op initiatief van generaal Władysław Sikorski en enkele kranten plaatsten inwoners van Warschau in 1923 een gedenksteen voor het Saksische Paleis ter herinnering aan alle onbekende gesneuvelde Poolse soldaten van de Eerste Wereldoorlog en de Pools-Russische Oorlog.

 

Het Poolse Ministerie van Oorlog, dat zetelde in het Saksische Paleis, besloot in 1925 om onder de arcade van het paleis een onbekende soldaat te begraven. Jadwiga Zarugiewiczowa, die tijdens de Pools-Russische Oorlog een zoon verloren had, maakte een keus uit drie lichamen van ongeïdentificeerde soldaten. Op 2 november 1925 werd de kist na een mis in de Johanneskathedraal door acht dragers van de Virtuti Militari naar het Saksische Paleis gebracht. Sindsdien heeft er, behalve tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog, altijd een erewacht bij het graf gestaan.

 

Het Saksische Paleis raakte licht beschadigd door de Duitse bombardementen in september 1939. Tijdens de Opstand van Warschau in 1944 werd het echter geheel verwoest. Alleen het deel van de arcade met het graf van de onbekende soldaat bleef behouden. Na de oorlog werd het paleis in tegenstelling tot veel andere verwoeste gebouwen in Warschau niet herbouwd. De arcade werd wel gerestaureerd en vanaf 8 mei 1946 was het monument op het Piłsudski-plein weer toegankelijk.

Piłsudski-plein

Het Piłsudski-plein (Pools: Plac marsz. Józefa Piłsudskiego) is een plein in het centrum van de Poolse hoofdstad Warschau. Het plein is vernoemd naar Józef Piłsudski, een militair en staatsman in de 20e eeuw.

Naamgeving

 

Het plein heeft in de historie diverse namen gekend. Eeuwenlang heeft het plein het Saksenplein (Plac Saski) geheten, naar de Saksische koningen en het Saksisch Paleis dat aan het plein gelegen was. Tijdens de Tweede Poolse Republiek werd het plein reeds vernoemd naar Józef Piłsudski. Na de inname van Polen door Duitse troepen, werd het plein de Adolf Hitler Platz genoemd, hetgeen in 1946 weer werd veranderd naar Overwinningsplein (Plac Zwycięstwa), ter ere van de overwinning van de geallieerden. Vanaf 1990 is het plein weer vernoemd naar Józef Piłsudski.

Inrichting

 

Op het plein staat het Graf van de onbekende soldaat, hetgeen gebouwd is op de funderingen van het Saksisch Paleis dat in de Tweede Wereldoorlog werd vernietigd. Bij het plein zijn nog wel de Saksische tuinen aanwezig. Aan het plein liggen ook het Presidentieel paleis en de Evangelische kerk.

Koningsweg

 

Cultuur

Musea

 

Nationaal Museum

 

Muzeum Wojska Polskiego (Museum Poolse leger)

Museum voor hedendaagse kunst

Zamek Królewski (Koninklijk Paleis)

 

Nationale Kunstgalerie Zacheta

Zachęta Narodowa Galeria Sztuki, Zachęta (letterlijk Aanmoediging, kort voor Towarzystwo Zachęty do Sztuk Pięknych, Vereniging voor Aanmoediging van Schone Kunsten) is een van de meest vooraanstaande kunstgaleries in de Poolse hoofdstad Warschau. Tegenwoordig staatsbezit en genoemd in Zachęta Nationale Galerij van de Kunsten. De vereniging werd in 1860 gesticht, ontbonden in 1940 en heropgericht in 1990.

Stichting

 

De Vereniging werd gestart door de bekende Poolse kunstenaars en kunsthandelaren, zoals Wojciech Gerson, Alfred Schouppé en Marcin Olszyński. In 1900 verhuisde de Vereniging naar een nieuwe locatie vlakbij het Saksische Park, waar een groot gebouw stond die ontworpen was door Stefan Szyller. De doeleinde van de Zachęta was om kunsten te promoten om zowel de kunstenaar en de Poolse samenleving te ondersteunen. Sinds 1904 werd hier jaarlijks de Salon gehouden. De Vereniging stichtte ook beursen op en gaf ook andere soorten hulp aan jonge artiesten, zowel leden als kandidaten. Op 16 december 1922 werd de eerste Poolse president Gabriel Narutowicz doodgeschoten op de trappen van het Zachęta. Hij werd vermoord door de Poolse schilder Eligiusz Niewiadomski.

 

Naar de Poolse onafhankelijkheid in 1918 en de nieuwe trends in de Europese kunst werd de Zachęta meer conservatief. Na in de Duitse invasie van Polen in 1939 werden tentoonstellingen verboden en in 1940 werd het instituut gesloten door de Duitse autoriteiten. Terwijl het grootste deel van de kunstwerken werden verbeurdverklaard en naar Duitsland gezonden. Het gebouw werd in oktober 1942 omgedoopt tot het Haus der Deutschen Kunst. De Zachęta was één van de weinige gebouwen in Warschau die de oorlog ongeschonden uitkwam. Na de Tweede Wereldoorlog bleef het gebouw een kunstgalerij, terwijl het tot 1990 duurde totdat de Vereniging werd heropgericht.

Gebouw

 

Het was het eerste gebouw in Warschau die opgericht werd om kunstwerken te exposeren. De Zachęta werd gebouwd dankszij fondsen en giften van de Vereniging voor Aanmoediging van Schone Kunsten, een in 1860 gestichte organisatie van kunstenaars en kunstliefhebbers. Het instituut werd door Wojciech Gerson gesticht. De collectie startte met het schilderij Dood van Barbara Radziwił door de schilder Józef Simmler. Giften kwam voornamelijk van donaties en schenkingen.Er was aan het einde van de 19de eeuw al meer dan duizend tentoonstellingen gehouden, men had behoefte aan een eigen gebouw. In 1896 hield de Vereniging een wedstrijd voor het ontwerp van het gebouw, het ontwerp van Stefan Szyller won de wedstrijd. De bouw van de Zachęta begon in september 1898. Op 15 december 1900 werd het voorgebouw officieel geopend.

Kordegarda Galerij

 

Kordegarda Galerij is een bijgebouw van de Zachęta. Het is gelegen in het gebouw van het voormalige koetshuis van het historische Potockipaleis (nu het ministerie van Cultuur), op de voormalige Koninklijke Route.

Museum van de Opstand van Warschau

Historisch museum van het Poolse jodendom

Chopin Museum

Het Belvedèrepaleis

Het Belvedèrepaleis (Pools: Pałac Belwederski) is een paleis in Warschau gelegen in het Łazienki-Park.

Geschiedenis

 

Al sinds de 17de eeuw stond op de plek van het Belvedère het paleis van de Litouwse grootkanselier graaf Krzystof Pac. Door het mooie uitzicht kreeg het paleis de naam Belvedère. In de eerste helft van de 18de eeuw werd het paleis verbouwd in een barokke stijl door de familie Lubomirski. De laatste Poolse koning Stanisław August Poniatowski kocht het in 1767 en gebruikte het porseleinfabriek. Van 1818 tot 1830 was het de residentie van de Russische Groothertog Constantijn., hij vluchtte na de Opstand van november 1830. Hij liet het nog in 1822 door Kubickie in classicistische stijl verbouwen.

 

Na de Eerste Wereldoorlog werd het de residentie van maarschalk Józef Piłsudski. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het paleis herbouwd voor Hans Frank, gouverneur-generaal van het Generalgouvernement. Het werd ook gezien als een toekomstig Hitler-Residenz. Van 1945 tot 1952 was het de residentie van Bolesław Bierut en later werd het de residentie van de Raad van State. Van 1989 tot juli 1994 was het de officiële residentie van de Poolse president, maar het werd te klein gevonden voor dat doeleinde. Tegenwoordig bevindt zich er een museum over Józef Piłsudski in het paleis. Andere Poolse presidenten in het paleis hebben geresideerd waren Gabriel Narutowicz, Stanisław Wojciechowski en Lech Wałęsa.

 

Het Museum van het communisme

Het Museum van het communisme was sinds 1999 gepland ter herinnering aan het communisme en zijn slachtoffers, in het Paleis van Cultuur en Wetenschap in Warschau. Het project is in 2011 afgelast.

 

In 1999 presenteerden Czeslaw Bielecki, Jacek Fedorowicz en regisseur Andrzej Wajda het plan om een monument te maken voor de slachtoffers van het communisme in het Paleis van Cultuur en Wetenschap, dat Jozef Stalin aan de Poolse bevolking had geschonken. Het had een museum moeten worden dat de realiteit van het communisme en de Koude Oorlog aan de volgende generatie over kon brengen. Lech Kaczyński, toenmalig burgemeester van Warschau, besloot in 2003 tot de oprichting van het museum. In 2011 blies de gemeente Warschau het project echter af, om in plaats daarvan te investeren in het Museum van de geschiedenis van de Poolse Joden.

 

Mamuntisunio, el photonius - Jalium calaniluitus